IJslandvissers

 

De gebeurtenissen rond Hendrik Jurjens Bleeker en al die anderen die niet weerom keerden van zee, doen sterk denken aan de inhoud van de in 1886 verschenen roman "Pêcheur d’Islande", waarvan de Nederlandse titel luidt: "IJslandvissers".

Het kaft van het boek.

 Het werd geschreven door de voormalige Franse marine-officier Julien Viaud, die zich als schrijver Pierre Loti noemde. Dit boek had mijn vader in zijn jeugdjaren gekocht. Omdat het in het Frans geschreven was, is het moeilijk te voorspellen of hij het wel geheel gelezen heeft.

Hij kan het ook gekocht hebben vanwege de fraai geëtste prenten die dit boek bevat en die hem, als zoon uit een oud Amelandse zeemans- en vissersgeslacht, hebben aangesproken. Pas na het overlijden van mijn vader verscheen er in 1979 de Nederlandse vertaling, die ik direct heb aangeschaft. Het werd ook het laatste boek dat mijn moeder voor haar overlijden in 1980 nog zou lezen.

 

Het romantische, maar nogal zwaarmoedige verhaal, hetgeen kenmerkend was voor die tijd, gaat over de Bretonse kabeljauwvissers, die nabij IJsland hun netten uitwierpen. Eén van deze vissers, de trotse Yann, bracht het aanvankelijk niet op zijn liefde te bekennen voor het rijke meisje Gaud en zei spottend tegen haar dat hij alleen met de zee zou trouwen. Pas toen Gaud tot armoede was vervallen, trouwde hij met haar. Van de eerste reis na zijn huwelijk, naar het verre IJsland, zou hij echter niet meer terugkomen. Hij verdronk jammerlijk in de woeste golven van de zee, die hem alsnog als bruidegom had opgeëist.

Door de storm ten onder ....

 Het boek eindigt als volgt (vertaald uit het Frans):

"Hij kwam nooit meer terug. Op een stormachtige augustusnacht, daarginds in de openzee bij IJsland, had hij temidden van een hels geraas, zijn bruiloft met de zee gevierd. Met de zee, die vroeger zijn voedster was geweest, die hem had gewiegd en tot een grote en sterke jongeling had gemaakt, en nu had zij hem weer tot zich genomen, in zijn volle mannelijke kracht, voor zich alleen. Een diep geheim had die vreselijke bruiloft omsloten. Al die tijd hadden donkere sluiers erboven gehangen, gordijnen, door de storm bewogen, waren uitgespannen, om het feest verborgen te houden; en de bruid hief zelf het bruiloftslied aan met een geluid dat alles overtrof en alle kreten smoorde. Hij, denkend aan Gaud, zijn vrouw naar het vlees, had zich in een reuzen-worsteling tegen zijn bruid van het graf verzet. Tot het moment dat hij zich over had moeten geven, zijn armen wijd open om haar te ontvangen, met een luide schreeuw als een stervende stier, zijn mond al vol water, de armen wijd uitgespreid en verstijfd voor altijd ....."

"Les bras ouverts pour la recevoir ...."